>>info@destichtselustwarande.nl

Bronnen

Op deze pagina vindt u een lijst met bronnen, onderzoeken en literatuur over slavernij en de Stichtse Lustwarande.

Deze bronnenlijst is sinds december 2024 online en wordt regelmatig bijgewerkt.

Het RAZU bronnenonderzoek

In 2023 kondigde het Regionaal Archief Zuid Utrecht (RAZU) aan onderzoek te doen naar het koloniale en slavernijverleden in de regio Zuid-Utrecht (Bunnik, Houten, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede).
In 2024 publiceerde het RAZU dit onderzoek. Samen met vrijwilligers werd een bronnenlijst opgesteld met eigen archiefmateriaal over de koloniën. De Utrechtse Heuvelrug bestreek een klein onderdeel van het onderzoek. De bronnengids bevat enkele artikelen van vrijwilligers die, met behulp van andere lokale en nationale archieven, verhalen vertellen. Tijdens het onderzoek verschoof de focus naar de geschiedenis van de oude koloniën; het slavernijaspect raakte op de achtergrond. Dit onderzoek biedt een kijkje in de beschikbare bronnen in de gemeentearchieven, maar er zijn nog veel onontdekte bronnen. Dit RAZU onderzoek dient als inspiratie om ook aan de slag te gaan met onderzoek in relatie tot slavernij, koloniën en het eigen archief. 

Slavernij en de stad Utrecht

In juni 2021 is deze publicatie uitgekomen waarin de stad Utrecht en slavernij zijn onderzocht. 

 Zo komen we verbintenissen tegen tussen de Huydecopers en onder andere de families Van Verschuer, Van der Muelen, Van Wyck, Van Asch van Wijck, Lockhorst, Van Tuyll van Serooskerken, Van Weede, Taets van Amerongen, Hardenbroek en Ram”   

Veel van deze families hadden of hebben een buitenplaats en/of kasteel op de Stichtse Lustwarande en worden in dit onderzoek gelinkt aan slavernij. 



In het Gouda onderzoek naar slavernij wordt ook de Utrechtse Compagnie besproken.


Een onderzoek naar Hope & Co (Historische voorganger ABN)

In december 2020 gaf ABN AMRO opdracht voor een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar het slavernijverleden van de voorlopers van de bank.

“De negentiende-eeuwse Hope & Co.-firmant Samuel Pierre Labouchère was een van de directeuren van de Sociëteit van Eigendom van de plantages Anna Catharina en Jagtlust, die langs deze route in handen was gekomen van een ander Amsterdams financiershuis dat sterk betrokken was bij slavernij: de firma Insinger & Co.”

Rondom de realisatie van het station in Driebergen/Zeist in de tweede helft van de negentiende eeuw vestigden zich vele Amsterdamse bankierfamilies op de Lustwarande. Deze families hadden vaak een familielid dat actief was bij de Nederlandse Bank, Hope & Co en/of de Nederlandse Handel Maatschappij. Daarnaast beschikten deze families ook over eigen banken, zoals de Insinger Bank, de bank van Eeghen, Labouchere en van Loon.

O.a plantage- en tot slaafgemaakte eigenaren namen leningen af bij deze banken.

Sporen van koloniale geschiedenis Amerongen en leersum

Leo van Putten publiceerde in februari 2024 onder de paraplu van de historische vereniging zijn onderzoek naar verschillende sporen van het koloniaal en slavernij verleden. 

“Reinhard Diederik Jacob van Reede, zevende
graaf van Athlone, trouwde in 1819 met
Henriette Dorothea Maria Hope (1790-
1830). Haar ouders waren John Williams
Hope (1757-1813) en Anne Goddard (1763-
1820). Bekend is dat zij bij haar huwelijk een
aanzienlijke financiële bruidsschat inbracht.
Geld dat zij van haar vader had geërfd. Een
aanzienlijk deel van zijn vermogen komt uit
slavernij-gerelateerde bancaire activiteiten.”

Mapping Slavery - Utrechtse Heuvelrug

Mapping Slavery. Een omvangrijk, maar nog steeds incompleet, digitaal overzicht van slavernij in relatie tot Nederland, en daarmee ook voor de Utrechtse Heuvelrug. Voor de Lustwarande concentreert mappings slavery zich voornamelijk op de Utrechtse archieven en de periode tussen de 17e en de 18e eeuw.  

“Sinds 2020 op vrijwillige basis en online georiënteerd. Iedereen die wetenschappelijk onderbouwd onderzoek kan doen en daar toegankelijk werk over kan schrijven, krijgt de ruimte om bij te dragen.”

Onderzoek naar slavernij en de Nederlandse bank

Klaas Knot, President van De Nederlandsche Bank (DNB) heeft op 1 juli 2022 excuses aangeboden voor de rol van de bank in het slavernijverleden. De bedrijven en families die in dit onderzoek aan bod komen, hebben verschillende connecties met de Utrechtse Heuvelrug, onder andere doordat zij in het bezit waren van een 19e-eeuwse buitenplaats in Driebergen en/of Doorn. 

Dit adres bevatte onder meer de handtekening van DNB-directeur Luden en was opgesteld uit protest tegen de mogelijke oprichting van een maatschappij ter bevordering van de afschaffing van slavernij. In totaal stuurden de belanghebbenden tussen 1841 en 1862 vijftien adressen die namens 30 tot 48 firma’s en belanghebbenden waren ondertekend. Een deel van de ondertekenaars van de adressen had bestuurlijke en/of zakelijke banden met DNB. Het gaat om Jan Hodshon, Johannes Luden, Marcus Broen, Jacobus Hermanus Insinger, W. Willink jr, de firma’s Determeyer Weslingh & Zoon, Insinger & Co, Luden & Van Geuns, Broen & Co, Goll & Co, Bunge & Co, Ketwich & Voomberg en Gebroeders Hartsen. Directeur Ferdinand Rendorp vertegenwoordigde vanaf 1860 de aandeelhouders van sociëteit Weduwe J.S. van de Poll die meerdere verzoekschriften ondertekende.

De Beaufort - Familie geschiedenis.

Meneer Robbert Reinerus Jacobus Melchers schreef in opdracht van de familie een boek over de familie De Beaufort. Het landgoed Den Treek dat strekt van Driebergen tot Amersfoort is in handen van 700+ familieleden die zijn verbonden met de oorspronkelijke stichter van het landgoed: Willem Hendrik de Beaufort (1775-1829).

In dit boekje worden summeer bronnen aangedragen waaruit blijkt dat de familie buitenlandse investeringen deed. De schrijver kiest ervoor om het vele ingetrouwde kapitaal niet in detail te specificeren. 

Het kapitaal en bezit van de Amsterdamse bankier de heer Stoop dat o.a. verdiend is met slavernij zijn voorbeelden van overerving in relatie tot de familie De Beaufort (Molenbosch in Zeist en Austerlitz) 

“Het overige vier vijfde deel van zijn geïnvesteerd vermogen bestond voornamelijk uit beleggingen in effecten op Engeland en waardepapieren die betrekking hadden op leningen, uitgeschreven door de Generaliteit, het gewest Zeeland en plantages in Suriname – duidelijk
afkomstig uit de bloeiperiode van de West-Indische Compagnie. Ook leningen aan de hertog van Brunswijk, de landgraaf van Hessen-Homburg en de keurvorst van Saksen ontbreken niet op deze lijst. Zijn Zeeuwse afkomst maar nog meer zijn ambtelijk leven in Den Haag wordt in zijn financieel vermogen duidelijk weerspiegeld.”

Onderzoek naar slavernij en de Insinger Stichting

De Insinger Stichting is ingeschreven in Rhenen en is een vermogensstichting met een Lutheraanse inslag. Van oudsher wordt het vermogen aangewend om initiatieven met een Lutheraans karakter te ondersteunen. De Insinger Stichting is tot nu toe de eerste Nederlandse vermogende stichting die het eigen vermogen heeft laten onderzoeken op verbanden met inkomsten uit de slavernijperiode. Momenteel volgt de stichting de traditie om het vermogen in te zetten voor het ondersteunen van nazaten en initiatieven rondom herstel, door hen de mogelijkheid te bieden financiering aan te vragen. De zussen Insinger uit de 19e eeuw, die betrokken waren bij de oprichting van de stichting liggen in Driebergen begraven en hebben daar op verschillende buitenplaatsen gewoond.

De hoofdvraag van dit rapport is welke relatie bestond tussen de Insinger Stichting en het slavernijverleden. Om daar zicht op te krijgen, stellen we drie deelvragen: wat was het aandeel van slavernij-gerelateerde economische activiteiten in het familiefortuin van de Insingers, waar kwam het geld in het vermogensfonds van de Insinger Stichting vandaan en hoe besteedde de stichting dat geld?

Aan de Surinaamse grachten

Deze publicatie verscheen bij de tentoonstelling Aan de Surinaamse grachten – Van Loon & Suriname (1728-1863) in Museum Van Loon (5 oktober 2019- 13 januari 2020). In de publicatie en tentoonstelling belicht Museum Van Loon voor het eerst de betrokkenheid van de familie Van Loon in de 18e en 19e eeuw met de WIC en Suriname. Jan van Loon (1677-1763) was vanaf 1728 bewindhebber bij de WIC en later ook directeur bij de Sociëteit van Suriname. Zijn nageslacht zette zijn bestuurlijke rol in de loop van de 18e en 19e eeuw om in die van investeerder in plantages. Tot 1863, het jaar waarin slavernij juridisch werd afgeschaft, waren er Van Loons actief in de plantage-economie.

De familie Van Loon/Borski Van Loon heeft de buitenplaats Hydepark in Doorn gebouwd. Deze werd later verkocht aan de Nederlandse Gereformeerde Kerk, die een deel van het terrein nog steeds in eigendom heeft. Mevrouw Borski Van Loon kocht in de 19e eeuw, bij de oprichting van De Nederlandschee Bank, een groot deel van de aandelen. Zonder deze aankoop had de financiering van De Nederlandsche Bank niet gerealiseerd kunnen worden. Zie het onderzoek naar De Nederlandsche Bank en slavernij hierboven.

De bankier de heer Stoop is eveneens nauw verbonden met deze familie. In de 19e eeuw bezat hij de buitenplaatsen Molenbosch in Zeist en Austerlitz.

Amsterdam en het slavernijverleden

Dit onderzoek is gepubliceerd in 2021. Amsterdam heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Nederland. Daarbij speelden de koloniën en slavernij in de Gouden Eeuw een cruciale rol. De ontwikkeling van Utrecht is niet los te zien van die van Amsterdam. Het Koninklijk Huis, de zeevaart, de VOC, de Heeren XVII. En ook Utrechtse ondernemers die betrokken waren bij de Utrecht Compagnie. Zij zetten zich ook in voor de aanleg van een kanaal naar de Zuiderzee, om zo de Amsterdamse vaarroute af te snijden en Utrecht tot een belangrijke havenstad te maken. Dit is niet gelukt, maar het geeft aan hoe Utrecht zich moest verhouden tot Amsterdam. Een aantal van deze Utrechtse ondernemers, betrokken bij deze havenplannen bezat een buitenplaats op de Heuvelrug.

In de 19e eeuw vestigden veel Amsterdamse bankiers zich op de Utrechtse Heuvelrug. Bankiers zoals de familie Van Loon en de familie Crommelin hadden een grachtenpand vol pracht en praal, rijkdom die deels was vergaard door de handel in tot slaafgemaakten.

Adel en Ridderschap in Utrecht

In dit boek wordt de ontstaansgeschiedenis van Utrecht en de adel, en het Ridderschap Utrecht, belicht. De relatie tussen de oudere leden van dit nog steeds actieve Ridderschap en de koloniën en slavernij wordt in dit naslagwerk echter niet expliciet behandeld.

Connecties tussen de Utrechtse adel en de koloniën worden in dit boek lichtelijk aangestipt, zoals aandelenbezit bij de families Van Reede en Van Tuyll van Serooskerken, gekleurde bedienden van Utrechtse edellieden of de positie van jhr. Titus van Asch van Wijck als gouverneur van Suriname en minister van Koloniën.

Plantage Vossenburg en Wayampibo

Dit boek komt uit 2019 en gaat onder andere over de plantage Vossenburg. De Evangelische Broedergemeente was, onder andere rond de afschaffing van de slavernij in 1863, actief op de plantage om de mensen daar te bekeren tot het christelijke geloof. De Duitse broeders hielden destijds veel archieven bij, waarin zij hun bevindingen en ideeën over de tot slaaf gemaakten beschreven. In deze teksten is iets terug te vinden van de mensen die wij nu tot slaaf gemaakten noemen.

De burgemeesterfamilie Brandsen uit Arnhem was eigenaar van deze plantage. Mevrouw Brandsen trouwde in de 19e eeuw met de burgemeester van Rijsenburg , Meneer Wassenaer. Rijsenburg is nu onderdeel van Driebergen en de gemeente Utrechtse Heuvelrug.



Koloniaal erfgoed te voet

Op deze website worden wandelingen aangeboden die betrekking hebben op het koloniale verleden. De verhalen zijn onderbouwd met archiefmateriaal en belichten het koloniale verleden vanuit een Nederlands-Europees perspectief. Op de website staat een Doornse wandeling. 

Sinds 2014 wandelen wij door Nederland op zoek naar sporen van ons koloniale verleden. Wij zijn Petra Groen en Elly Touwen. Allebei hebben we jaren rondgedwaald in het papieren verleden van onze koloniën. We hebben ons verbaasd over de enorme hoeveelheid materiaal waarin minutieus beschreven wordt hoe Nederlanders de macht uitoefenden in de koloniën, hoe ze overheersers werden en oorlogen voerden, hoe ze omgingen met de overheersten. Voor ons was het een ontdekking dat er in Nederland ook buiten de archieven, persoonlijke verhalen op te sporen zijn van Nederlanders die naar de koloniën zijn gegaan, daar hebben gewoond en gewerkt en ook hier in Nederland sporen hebben achter gelaten. Die sporen wilden wij volgen door het uitzetten van wandelingen. Zo is koloniaalerfgoedtevoet ontstaan, eerst als hobby, maar naar gelang we meer verhalen boven water kregen, steeds serieuzer.

De Bilt en zijn slavernijverleden

In dit werk wordt de relatie tussen slavernij en De Bilt onderzocht. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de gemeente De Bilt, naar aanleiding van de motie van de gemeenteraad “Keti Koti – de ketenen verbroken”, die in 2022 werd aangenomen.

In het onderzoek worden verschillende familienamen en bedrijven besproken die ook verbonden zijn met de Utrechtse Heuvelrug. Schwellengrebbels (Kaapse Bossen), de Insinger Bank/familie/stichting (Wildbaan – Rose Villa), de Provinciale Utrechtsche Geoctroyeerde Compagnie –  Jan Carel van der Muelen (Dennenburg), Familie van Loon, in relatie tot het familiewapen en de familie Calkoen 

Het koloniale en slavernijverleden van hofstad Den Haag.

In dit werk wordt de relatie tussen slavernij en Den Haag onderzocht. De historische teksten worden aangevuld met verhalen van inwoners uit Den Haag. Op bladzijde 41 staat een verhaal over de bediende van Maurits, graaf van Nassau-LaLecq. Hij was onder andere heer van Beverweerd, een kasteel dat anno 2024 in Werkhoven staat. Het landgoed strekte zich destijds echter uit tot onder meer de kinderboerderij ’t Woelige Nest / Champ Haubert in Driebergen.

Paulus Maurus, ook op de lijst van Veldhuijzen en bij zijn doop in 1674 ‘moor’ genoemd, wordt na zijn start als bediende paukenist in militaire dienst. Bij zijn huwelijk in 1684 wordt hij dan ook met meer egards omschreven, als ‘monsieur Paul Maurice Agulard’. Deze ‘promotie’ is echter verbonden aan een en dezelfde familie: als jongen diende hij de vrouwe, later de heer Maurits graaf van Nassau-LaLecq. Beide functies hadden een raciale connotatie, trommelaars waren geregeld zwart en werden afgebeeld met een metalen band om hun nek die verwees naar slavernij. Ook in zijn geval is sprake van integratie in de Nederlandse samenleving en van een duidelijke stijging in sociale klasse, maar in veel mindere mate dan de stijging die te zien is onder mensen van gemengde afkomst die genoten van het patronage van een witte vader.

Stationsomgeving Driebergen-Zeist Cultuurhistorisch onderzoek

Extra aandacht voor cultuurhistorie
Voor de ontwikkeling van een nieuwe kern bij het station Driebergen-Zeist is een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd door SteenhuisMeurs. De stationslocatie ligt in een interessant gebied: midden in de landgoederenzone de Stichtse Lustwarande, tussen rijke tuinderijhistorie en elementen van voormalige fabriekspanden met bijbehorende arbeidershuizen. Het rapport brengt die cultuurhistorisch waardevolle elementen meer gedetailleerd in beeld, zodat deze waar mogelijk ingepast kunnen worden in de gebiedsontwikkeling.

Een andere aanjager voor de ontwikkeling van de buitenplaatsen was de koloniale handel die met de oprichting van de Nederlandsche Handel Maatschappij (1824) en de instelling van het Cultuurstelsel in Nederlands Indië (1830) een enorme impuls kreeg. Families als Kol, Insinger, Van Loon, Willink en Crommelin waren actief als bankier of investeerder in de koloniën of de koloniale handel en konden het zich veroorloven om een buitenplaats te kopen of te bouwen. Sinds de publicatie van het boek Max Havelaar (1860) is er geleidelijk meer oog voor de keerzijde: de slavernij en koloniale uitbuiting die de excessieve rijkdom mogelijk maakte. Het barre leven op de tropische plantages en in de fabrieken was ver weg in de bossen van de Lustwarande, waar de nieuwe rijken zich toelegden op de slipjacht, het tuinieren en het kweken van asperges of orchideeën.

Het verhaal van Paulus.

In een video van het Haags Museum wordt het levensverhaal belicht van Paulus Maurus, een jongen van Afrikaanse afkomst die in de 17e eeuw in dienst was van de adellijke familie Nassau-LaLecq. Deze familie bekleedde belangrijke functies en was heer van onder meer Beverweerd, Odijk en de Lek – gebieden die nu deels tot Driebergen en de Utrechtse Heuvelrug behoren. Paulus werd in 1674 als ‘moor’ gedoopt, een gebruikelijke term destijds voor mensen van Afrikaanse afkomst.

Later trad Paulus in dienst als paukenist in het leger, een rol die vaker door mensen van kleur werd vervuld. Bij zijn huwelijk in 1684 werd hij vermeld als Paul Maurice Agulard, wat wijst op een zekere mate van erkenning en integratie in de samenleving. Zijn verhaal toont de zichtbaarheid – en tegelijkertijd de uitzonderingspositie – van mensen van Afrikaanse herkomst binnen de context van Nederlandse elitekringen en militaire structuren in de vroegmoderne tijd.

Slavernij onderzoek Gelderland.

Een van de verhalen in dit onderzoek betreft plantage Vossenbrug in Suriname, waarmee directe banden bestonden met de Utrechtse Heuvelrug. In de eerste helft van de 19e eeuw was mevrouw Brandsen, echtgenote van burgemeester Wassenaer uit Driebergen, mede-eigenaar van deze plantage.

Dit voorbeeld laat zien hoe eigenaren van buitenplaatsen in de regio betrokken waren bij het koloniale systeem en het bezit van tot slaaf gemaakten. De verbinding tussen lokale bestuurders en plantage-economie onderstreept de verwevenheid van slavernij met het bestuurlijke en sociale netwerk van de Utrechtse Heuvelrug.

Koloniaal onderzoek naar de Duitse keizer. Huis Doorn.

Deze publicatie is samengesteld door Dr. Britta Schilling (Universiteit Utrecht). Zij heeft de studenten begeleid die herkomstonderzoek hebben gedaan naar enkele koloniale objecten uit de collectie van Museum Huis Doorn. De resultaten van het herkomstonderzoek worden uitgebreid beschreven in deze publicatie waarbij ook de koloniale opvattingen van Wilhelm II aan bod komen.

De “Duitse keizer” verwijst waarschijnlijk naar keizer Wilhelm II van Duitsland, die de opdracht gaf tot de onderdrukking van de Herero- en Nama-opstand in Duits-Zuidwest-Afrika (het huidige Namibië) tussen 1904 en 1908. Deze periode wordt gezien als de eerste genocide van de 20e eeuw, waarbij een groot deel van de inheemse bevolking omkwam door gevechten, uitdroging, dwangarbeid in concentratiekampen en honger. Keizer Wilhelm II zelf gaf weliswaar opdracht om de uitroeiingsorders op te heffen, maar de wreedheden gingen door.

Verwachte onderzoeken en projecten met betrekking tot de Utrechtse Heuvelrug en Slavernij

Andere bronnen